12 november 1204
Huis Brabant
Huis Hohenstaufen
De oudste vermelding van 'Treiectinsem' dateert van ca. 575 (copieën 7e - 11e eeuw).
Al in 908 geeft de Duitse keizer aan de bisschop van Luik het recht in Maastricht tol te heffen en munt te slaan. In de eeuwen hierna behoudt de Luikse bisschop als vorst van het Duitse Rijk bepaalde rechten in de stad. Maastricht ontwikkelt zich al in de 12e eeuw tot een belangrijke handelsstad. In een oorkonde van keizer Hendrik V van 1109 voor St. Servaas is sprake van een ius forense et civile van Maastricht.
In 1132 erkent de keizer de rechten van de bisschop van Luik op zijn familia, de Bisschopsmannen, in Maastricht. In 1202 ontvangt Hendrik I, hertog van Brabant, de koninklijke en keizerlijke rechten van Maastricht in leen van Rooms koning Otto IV van Brunswijk, één van de twee troonpretendenten in het Duitse Rijk. Vervolgens geeft op vrijdag 12 november 1204 ook de andere troonpretendent, Rooms koning Filips van Zwaben, aan hertog Hendrik I de civitatem Trajectensem in leen. Voor die datum zal Maastricht stedelijke rechten hebben verkregen. De Duitse keizer [resp. de Rooms koning] zal als verlener van de stadsrechten zijn opgetreden, wellicht samen met de bisschop van Luik (gelet op diens belangen). In 1208 spreekt de Luikse bisschop van oppidani de Maastricht.
In een oorkonde uit 1220 (bestaande uit 17 artikelen) worden de bestaande stedelijke rechten van de stad Maastricht bekrachtigd door Hugo, bisschop van Luik en Hendrik, hertog van Brabant. Al in 1224 zijn er twee colleges van schout en schepenen (Luiks en Brabants) voor de berechting van enerzijds de homines episcopi en anderzijds de homines ducis.
In 1229 krijgt Maastricht toestemming tot de bouw van een stadsmuur. In 1243 is er sprake van een stadhuis. In februari 1284 komen de Brabantse hertog en de Luikse prins-bisschop tot een akkoord, vastgelegd in de 'Alde Caerte' (oude oorkonde), dat leidt tot de onverdeelde soevereiniteit over Maastricht (de 'tweeherigheid' die tot 1794 zal duren).