Stadsrechten

's-Hertogenbosch Wapen

Wapen

's-Hertogenbosch

Sylva Ducis

1 mei 1195

Hendrik I de Krijgshaftige, Huis Brabant (1165-1235)

Hertog van
  Brabant
  Neder-Lotharingen

Wapen

Huis Brabant

1545

1580

1649

1690

De oudste vermelding van super Silvam juxta Orthen dateert van 1195. In 1222 is sprake van de Orthen cum Buscho.

Tussen 1185 en 1196 verleent Hendrik I, hertog van Brabant, aan ‘die poerters van Ordunen, dat men nu seegt Bossche’ stedelijke voorrechten en bevestigt een aantal in de stad gangbare rechtsregels. De oorkonde telt 42 artikelen. Deze is echter niet bewaard gebleven. De tekst is bekend uit een afschrift van een vidimus uit 1486. Er is uitgebreid gedebatteerd over het jaar van stadsrechtverlening: 1185, 1195 of 1196. In navolging van de meest recente inzichten [met name van Van Uytven] wordt hier mei 1195 aangehouden.

In de herfst van 1195 schenkt de graaf van Gelre tolvrijheid aan de burgenses de novo opido super silvam juxta Orten. In 1196 schenkt keizer Hendrik VI, op verzoek van hertog Hendrik I van Brabant, tolvrijheid op de Rijn aan de inwoners van de nova civitate apud Silvam.

Circa 1230/1240 vindt de eerste vastlegging van het praktische stadsrecht plaats (o.a. getuigenverklaring). Dit document evenals de inhoud ervan is onbekend, maar is gereconstrueerd aan de hand van de stadsrechten van Haarlem, Delft en Alkmaar. Op 31 jan. 1284 verleent hertog Jan I uitbreiding van de stadsrechten (61 artt.). Het origineel is verloren maar is via een afschrift bekend. In 1330 komt het Privilegium Trinitatis tot stand dat een aanpassing van het stadsrecht biedt voor de sterk expanderende stad (41 artt.); het origineel is bewaard gebleven.

’s-Hertogenbosch staat in de stedenatlas van Jacob van Deventer (ca. 1560).


Bron: Repertorium van de stadsrechten in Nederland
Heilige Geesthuis
Heilige Geesthuis

Gebouw
  • Bouwjaar onbekend
  • Verdwenen       

Heilige Geesthuis

Heilige Geesthuis Hinthamerstraat 72, 's-Hertogenbosch Vermoedelijk in 1268 werd op deze plaats de Tafel van de Heilige Geest gehuisvest. Het betrof een instelling die wekelijks geld, brood en schoenen uitdeelde aan de armen van de stad. In die tijd waren en nog geen sociale voorzieningen van overheidswege waar de armen en gebrekkigen een beroep op konden doen. Het 'Heilige Geesthuis' of 'Geefhuis' zoals de stichting in de volksmond heette, had vele bezittingen in de Meierij waaruit men de giften kon betalen. Boven de ingang was een frontaalvulling van hout die zich thans in Het Noordbrabants Museum bevindt. In de Franse tijd maakte men er een oude mannen- en vrouwenhuis van. In 1826 plaatsten de regenten extra verdiepingen op het van oorsprong uit één laag bestaande gebouw. De gevel werd voorzien van een pleisterlaag. Midden jaren zeventig vestigde men in een vleugel de openbare bibliotheek die in 1999 over het gehele pand werd uitgebreid.

Jacob van Deventer


Stadhuis
Stadhuis

Gebouw

Stadhuis


Jacob van Deventer


Sint Antoniuskapel
Sint Antoniuskapel

Kerk

Sint Antoniuskapel


Jacob van Deventer


Sint Jacobskerk
Sint Jacobskerk

Kerk

Sint Jacobskerk

Van wikipedia: Het Groot Tuighuis of de Oude Sint Jacobskerk is van oorsprong een katholieke kerk gelegen aan de Bethaniëstraat in de Noord-Brabantse hoofdstad 's-Hertogenbosch. Omstreeks 1430 werd een aan Jacobus de Meerdere gewijde kapel en een gasthuis gebouwd voor pelgrims naar Santiago de Compostella. Vanaf 1569 kreeg het de functie van parochiekerk. In 1584 was de broederschapskapel uitgebreid tot het kerkgebouw van de huidige omvang. Het gebouw bestaat uit een driebeukig basilikaal schip met een eenbeukig koor. In de zijgevel is te zien, dat er gerekend werd op de bouw van een dwarsschip. Men is niet begonnen aan het dwarsschip, vermoedelijk vanwege geldgebrek. Na het Beleg van 's-Hertogenbosch (1629) werd de kerk door de Staatsen geconfisqueerd. Het gebouw heeft daarna tot 1650 dienst gedaan als protestantse kerk. Het gebouw is nu in handen van de gemeente en is de afdeling Erfgoed 's-Hertogenbosch er gevestigd. https://nl.wikipedia.org/wiki/Groot_Tuighuis

Jacob van Deventer

Sint Jankathedraal
Sint Jankathedraal

Kerk
  • Bouwjaar onbekend
  • Zichtbaar       

Sint Jankathedraal


Jacob van Deventer

Klooster Achter de Tolbrug
Klooster Achter de Tolbrug

Klooster
  • Bouwjaar ± 1410
  • Verdwenen       

Klooster Achter de Tolbrug

Dit klooster bestond al in 1410. Het lag aanvankelijk op de Papenhulst, daarna werd in 1542 hun klooster op de Windmolenberg gebouwd. Ze onderhielden de regels van de derde orde van St. Franciscus (Tertiarissen). In 1459 gaf de bisschop van Luik, Louis de Bourbon, hen toestemming hun klooster te verkopen (aan de zusters des Gemene Levens, die daar het klooster Bethanië vestigen) en verkregen ze het recht een nieuw klooster met kerkhof op te richten en het slot in te voeren. Ze bouwen dan het klooster Achter de Tolbrug, toegewijd aan de HH. Elisabeth en Agnes. In 1532 sluiten ze zich aan bij het Kapittel van Zepperen tot in 1568 de paus het gezag van dit kapittel over de Franciscanessen ontnam. Het klooster had te lijden van de beeldenstorm en de kerk werd in 1575 door een onweer beschadigd. Hun statuten vindt men in Coeverincx. Na 1629 stierven ze langzaam uit.

Jacob van Deventer


Begijnhof
Begijnhof

Klooster
  • Bouwjaar onbekend
  • Verdwenen       

Begijnhof

Op dit plein bevond zich sinds het einde van de 13e eeuw het Groot Begijnhof. Het was bestemd voor ongehuwde vrouwen die ervoor kozen een religieus leven te leiden. Ze legden een tijdelijke gelofte van gehoorzaamheid af, maar geen gelofte van armoede zoals bij kloosterlingen. De begijnen voorzagen in hun eigen onderhoud met het geven van onderwijs of handwerken. Ze woonden in huisjes rond een plein waarop ook de Begijnhof- of St. Nicolaaskerk stond. In de bloeitijd woonden er enige honderden begijnen. Na de verovering van de stad in 1629 mochten ze hier blijven, maar de overheid liet geen nieuwe vrouwen toe. In 1694 stierf de laatste begijn. Alle gebouwen werden kort na 1700 gesloopt en het terrein veranderde in een exercitieplaats voor militairen. Vandaar de naam Parade, nu een archeologisch monument.

Jacob van Deventer


Bethanieklooster
Bethanieklooster

Klooster
  • Bouwjaar onbekend
  • Verdwenen       

Bethanieklooster


Jacob van Deventer


Bogardenklooster
Bogardenklooster

Klooster
  • Bouwjaar ± 1300
  • Zichtbaar       

Bogardenklooster

Kort na 1300 ontstond te 's-Hertogenbosch een groepering van zogenaamde Bogarden of Begharden. Het waren mannen, die een religieuze gemeenschap vormden, maar geen geestelijke regel volgden. Zij vestigden zich in een huis aan de zuidzijde van dat deel van de Colperstraat, dat later Verwerstraat zou gaan heten. De bogarden verdienden de kost met het weven van wollen lakens. Het aantal bogarden was in 1526 tot zeventien opgelopen. Daarna begint er langzaam een verval in te treden. Omstreeks 1588 was hun klooster bijna uitgestorven, er leefden er toen nog twee. Het klooster werd afgestaan aan de zusters van Sint Annenborch, in 1613 kochten de jezuïeten het. Later Tertianenklooster en van 1609-1629 Jezuïetencollege

Jacob van Deventer


Clarissenklooster
Clarissenklooster

Klooster

Clarissenklooster

De eerste Clarissen kwamen een eeuw na de Minderbroeders Franciscanen naar Nederland. ‘Ridder’ Willem van den Bosch, één van de meest gefortuneerde inwoners van Den Bosch, besloot dat na zijn dood een clarissenklooster gevestigd moest worden in één van zijn twee stenen huizen te Den Bosch. De zusters arriveerden er in 1349 vanuit Keulen. De formele kerkrechtelijke instelling is echter in 1359 gedateerd. De zusters maakten er o.a. de Beeldenstorm mee in 1566, maar konden in hun klooster blijven en nog bijna een eeuw standhouden. (https://www.clarissen.nl/geschiedenis-na-1350/) Het Clarissenklooster Naast het Vondelinghuis stond voorheen in de Clarastraat een huis, dat 28 December 1656 door den Raad van State - het was alzoo blijkbaar geestelijk goed - verkocht werd aan Willem van Houte, raad van den Bosch, die 5 Maart 1670 stierf; van dezen erfde het Magdalena Besemer, weduwe van Jacobus Cuchlinus, predikant en professor in de Grieksche taal aan de Illustre school te 's Hertogenbosch; zij verkocht het 28 Augustus 1706 (Reg. n°. 485 f. 108) aan Wilhelmus van Heeswijk, koopman aldaar, als wanneer het omschreven werd als: een groot huis met erf en tuin , daaronder begrepen de kamer boven de groote keuken, die voorheen een stal was, staande in de Clarastraat tusschen het Vondelinghuis ex uno en een ander huis van verkoopster 1) ex alio en uitkomende met eene poort op het St. Janskerkhof; van dit huis bestaat thans niets meer. Tegenover hetzelve bevond zich het achtergedeelte van het voormalig Clarissenklooster van den Bosch; een plattegrond bestaat daarvan, voor zoover mij althans bekend is, niet, zoodat niet meer valt mede te deelen hoe de inrichting daarvan was. Dit is echter zeker, dat het hoofdgebouw daarvan 587 stond in de Hinthamerstraat ter plaatse, waar thans staat het huis genummerd 141, nu het eigendom van mr. P.H. Loeff, president der Arrondissements-Rechtbank te den Bosch; dat hoofdgebouw was, in elk geval bevond zich ter plaatse waar eens stond het kasteel, dat het eigendom was van Geerling van den Bosch, ridder. Tot welk geslacht deze behoorde is tot dusverre nog niet uitgemaakt geworden. In een charter van Driekoningendag 1303 2), waarbij de Hertog van Brabant vrijstelling van verschillende diensten verleende aan al zijne laten, die zich onledig hielden met het in cultuur brengen van zijne gronden, gelegen onder Erp, Vechel, Hetsrode, Oirschot, Hilvarenbeek, Gestel, Oost-Tilburg, Haaren, Berkel, Udenhout, Osse, Berlicum en Middelrode, staat vermeld, dat hij was een nepos van zaliger Heer Willem, heer van Hoerne en Altena. Vermits nepos zoowel kleinzoon als oomzegger beteekent, zoo brengt ons deze vermelding zijner bloedverwantschap niet veel verder. Mogelijk is het, dat hij behoorde tot het geslacht van Erp, omdat zijn na te noemen broeder Willem heer van Erp was en er in het begin der 13e eeuw van Erp's schepenen van den Bosch waren, wier voornamen Geerling was 3). Volgens eene oude Bossche kronijk, gedrukt in het werk van Dr. C.R. Hermans Kronijken p. 46, zou hij echter tot het geslacht van Hornes behoord hebben, daar toch daarin over hem en zijnen broeder het volgende voorkomt: Dat clooster van Sinte Clara binnen der stat van den Bosch is te voren geweest een borchte ofte een casteel, toebehoorende een rycke en treffelick joncker, genamt joncker Geerlinck van den Bosch, wiens gehoechnis noch onderhout die steenen brug, die over die Diese leet en is geheiten die Geerlinxse brug 4) en dese joncker Geerlinck is gestorven 588 sonder wettige geboort after te laten ende soo quam dat slot op synen brueder Joncker Jan van Hoorn, die op die tijt woonde in die huysinge, daer nu die verwer woont, tegen die Schilderspoorte over ende dese joncker Jan van Huerne heeft van dat slot ende huysinge gemaect een jouffrau clooster van Clarissen, assigneerende groote renten ende gueden om dat clooster te onderhouden. Dit verhaal zou, in verband met hetgeen in voormeld charter omtrent de bloedverwantschap van Geerling van den Bosch met Willem, heer van Hoerne en Altena voorkomt, het vrij zeker doen zijn, dat jonker Geerling tot het geslacht van Hornes behoorde, ware het niet, dat de Kronijk abusievelijk vermeldt, dat zijn broeder Jan heette, daar toch uit het testament, waarbij die broeder het Clarissenklooster in den Bosch stichtte, duidelijk blijkt, dat diens voornaam niet was Jan, maar Willem. Dit is in ieder geval zeker, dat Geerling van den Bosch, zoo hij al niet, zooals ik geloof, behoorde tot, dan toch verwant was aan het geslacht van Hornes. Dirk van Hornes, heer van Cranendonk, als uitvoerder van den uitersten wil van genoemden Willem van den Bosch richtte het kasteel van Geerling van den Bosch in tot een Clarissenklooster 5) en bouwde voor hetzelve in 1344 eene kapel, wier ingang in de Clarastraat was; de Clarissen betrokken daarop dat klooster in het jaar 1359, hetgeen als volgt in meergezegde Kronijk p. 46 verhaald wordt: Int jaer ons Heeren 1359 op sinte Matheus dach is dat convent van den Clarissen eerst begonnen ende is geworden een scerpe besloten clooster ende die eerste Clarissen van dit convent waren gecomen uut dat Clarisseclooster tot Brussel 6) Dit klooster was rijk aan goederen; zoo bezat het in den Bosch bijna het geheele erf, dat vanaf de Hinthamerstraat tot aan het huis der Bonenfanten op de Papenhulst zich uit- 589 strekte en dat voorts begrensd was eenerzijds door twee huizen, staande aan den hoek van de Clarastraat en anderzijds door de Dieze. Zij bezaten aldaar ook het vischwater, zoo als blijkt uit den volgenden post, staande in de Rekening van den Rentmeester der Domeinen van Brabant van 7 Mei 1404-7 Mei 1405 (Rijksarchief te Brussel Rekenkamer Reg. no. 5233): „Van den cloosterreligieusen, abdisse ende convent van Sinte Claren in tshertogenbosch, die jairlix plagen te geldene te vastelavont 27 oude grooten voor XI getalle paeldinge van der vischerien te s hertogenbosch uit watre, gaende van der voerde totter Hijnthemerstraten, dwelcke in tiden voorleden uutgegeven was om die voirscr. XI getalle paeldinge enen Gerlic Knode ende dairna hoirden toe Here Willem van den Bosch, die se mit dien last overgaf met anderen goeden den voersc. cloester, denwelcken mijn Vrouwe van Brabant quite gesconcen heeft erflic met sulker condicie, dat zy tewigen doen zullen des graven Willems van Henegouwen ende van Hollant hairs mans, jaergetiden alle jair ende oec van haren manne Hertoge Wencelijns ende van hair, al si verschiden werden, ende dat alsoe lange als mijn voirscr. Vrouwe leven sal, dat si sullen doen singen of lesen bi den godtshuse voirscr, daghelijx een misse etc." Door eene poort had dit klooster eenen uitgang in de Clarastraat; binnen die poort stond, zooals in 1608 vermeld werd, een rosmolen, die door hetzelve verhuurd werd en daarnaast binnen diezelfde poort tusschen de erven van het klooster een huis, dat het 26 Augustus 1609 voor zijne vrijheid aankocht 7), terwijl ten Z. daarvan stond, zooals in 1603 vermeld werd, de woning van deszelfs rentmeester, zijnde toen Henrick Franszn van Gestel 8), die zich destijds noemde rentmeester des Convents ende Goidthuys van Sancta Clara binnen 'sBosch; naast dit laatste huis stond ook in Zuidelijke richting, 590 een huis, dat eveneens aan dit klooster toebehoorde en dat in 1608 bewoond werd door Christina van Erp, de moeder van genoemden rentmeester 9). Verder op langs de Papenhulst, lag een deel van den tuin van dit klooster, dat beschreven is in Dl II blz. 523 en vlgd. Toen den Bosch zich in 1629 aan Prins Frederik Hendrik had moeten overgeven werd ook dit klooster, evenals al de andere, die men destijds in die stad had, ten behoeve van den Staat verbeurd verklaard, waarna het bij Resolutie van den Raad van State van 1 Mei 1659 met de vlak daarbij gelegen en daartoe behoorende onroerende goederen verkocht werd aan Cornelis Cuchlinus, ontvanger der gemeene middelen te den Bosch, die eveneens een ontrouwe beheerder van 's lands geldmidden blijkt geweest te zijn, want ook hij had bij zijn overlijden een groot tekort in kas. Na zijnen dood werd dit klooster met voorschreven onroerend goed door den Rentmeester der geestelijke goederen Johan baron van Leefdael 5 December 1692 (Reg n°. 507 f. 314) getransporteerd op zijne beneficiaire erfgenamen Johannes Crollius, predikant te Muiden en mr. Cornelis Cuchlinus, den zoon van Jacobus en Magdalena Besemer voornoemd (Reg. n°. 507 f. 314); zij verkochten daarvan het hoofdgebouw, dat aan de Hinthamerstraat stond, ter plaatse waar nu zich bevindt het voorschreven huis van mr. P.H. Loeff, 5 Juni 1693 (Reg. n°. 508 f. 95) aan Thomas Minten, wijnkooper te den Bosch. Het werd alstoen omschreven als volgt: „huyssinge, erve, met een poortte, stallinge, camer daerneffens, hoff ende bogaert daeraengelegen in de Hinthamerstraet neffens de Geerlinxe brugge, streckende van de straet tot aen de scheytsmuer van de huyssinge ende erve van Quirinus Croll, soo ende gelijck die tegenwoordich in gebruyck is bij den Heere Grave van Niel.” Uit deze omschrijving kan men opmaken, dat het klooster toen reeds in een woonhuis veranderd en al wat aan zijne vroegere bestemming herinnerde, zooals 591 de kapel, toen al weggebroken was. Zeker is het, dat het ten tijde van mr. Joh. Hendrik van Heurn al reeds sedert lang als kloostergebouw niet meer bestond, want hij deelt daarover in zijne Beschrijving het volgende mede: „Het Klarissenklooster had voorheen deszelfs ingang in de Hinthamerstraat door eene groote poort, niet ver van de Geerlingsche brug; het strekte zich uit langs de Klaarenstraat, die er ontwijfelbaar den naam naar draagt, tot ver op den Papenhuls, zo als de oude muuren dit duidelijk aantoonen. Volgens zekere oude teekening der stad. die ik bezitte en mij toeschijnd omtrent het jaar 1560 gemaakt te zijn, heeft de kerk des kloosters in de Klaarestraat, niet ver van de Koorstraat, gestaan. Van het klooster is genoegsaam niets overgebleeven; ik heb van den tijd van deszelfs slooping niets ontdekt. In de Klaarestraat staat nog eene oude dog sterke huysinge, waarin de rentmeester des kloosters voorheen woonde. Het verdere erf van het klooster is in een moestuin veranderd, die door een oude muur omringt word. Bij de poort des kloosters in de Hinthamerstraat staat een sierlijk en groot huis en in de Klaarestraat een tuinmanswoning, die nevens de moestuin door de eigenaars verhuurd word". Genoemde Minten behoorde blijkens het wapen, dat hij voerde, tot een geslacht, dat volgens L. de Herckenrode Collection de tombes etc. de la Hesbaye te St. Truyden gevestigd was en aldaar de Menten heette. Thomas Minten voornoemd was de zoon van Thomas Minten (ook wel Menten geheeten), gestorven te den Bosch 2 Juni 1680 en Johanna van Campen (dochter van Guiliam, heer van Bijsterveld, en Geertruy Vermeulen), wier eerste man was Johan van Hedel. (https://www.bossche-encyclopedie.nl/overig/kloosters/clarissen.htm) Thans is het Claraklooster omgebouwd tot appartementen.

Jacob van Deventer

Gasthuis
Gasthuis

Klooster
  • Bouwjaar 1274
  • Zichtbaar       

Gasthuis

Het eerste Groot Ziekengasthuis (GZG) bevond zich rond 1274 aan het Gasthuisstraetken, dat later Gastelstraat genoemd werd. De Bossche stadstaal maakte daar al gauw Gasselstraat van. De Gasselstraat, die de Kerkstraat met de Hinthamerstraat verbindt, is dus een verbastering van Gasthuisstraat. De Gasselstraat heeft ooit Oude Gasthuisstraat geheten. Het verlengde van de Gasselstraat, aan de overzijde van de Hinthamerstraat, heet nog steeds Gasthuisstraat. De straat werd ter onderscheiding van de Oude Gaststraat ook wel Nieuwe Gasthuisstraat genoemd. Poort van Groot Ziekengasthuis; in de nissen de beelden van St. Elisabeth en St. Vincentius, boven de poort het wapen van de stad. Datering 1908. Aan het einde van de Gasthuisstraat bevindt zich de vroegere hoofdpoort, die van 1661 tot 1932 de toegang vormde tot de terreinen van het Groot Ziekengasthuis (GZG). Sinds november 1972 een rijksmonument. De poort is in het verleden enkele keren gesloopt en weer opgebouwd. De huidige, arduinstenen poort is van 1916 en is een exacte kopie van de poort uit 1661. De hardstenen omlijsting is 17e-eeuws, de rondboog is geplaatst op toscaanse pilasters tussen ionische zuilen. In het fronton zie je, van hout, de dubbelkoppige adelaar van het keizerrijk, de leeuwen van het hertogdom Brabant en Limburg en het stadswapen van Den Bosch. In de nissen naast de poort bevinden zich twee beelden, voorstellend Elisabeth van Thüringen en Vincentius van Paulo. Elisabeth is de patrones van onder meer de caritas (liefdadigheid), de ziekenhuizen en de verpleegsters. Vincentius staat bekend als ordestichter en organisator van charitatieve werken. Links van de poort zit een luik van waaruit eeuwenlang aan de armen en bedeelden in de stad medicijnen werden uitgedeeld, uiteraard ná zonsondergang. Dit gebruik stopte in 1942, toen het Ziekenfonds in Nederland werd ingevoerd, tijdens de Duitse bezetting dus! De geschiedenis van de ziekenzorg in Den Bosch gaat terug tot vóór 1274. Toen werd voor het eerst melding gemaakt van het Groot Gasthuis in de stad. Op het Reinier de Graafgasthuis in Delft na, is het GZG het oudste ziekenhuis van Nederland. Het GZG ging in 1880 deel uitmaken van de Godshuizen en werd van algemeen ziekenhuis katholiek. Het bestuur zetelde in een huis aan de Gasthuisstraat nr. 9. De brug voor de poort is oorspronkelijk van hout geweest. Een stenen overbrugging heeft in 1742 plaatsgevonden. Naast de brug bevindt zich een houten watertrap; het is een originele brandtrap, om bij brand water uit de Binnendieze te kunnen halen.

Jacob van Deventer


Geertruiklooster
Geertruiklooster

Klooster
  • Bouwjaar onbekend
  • Verdwenen       

Geertruiklooster

Geertruiklooster Orthenstraat, 's-Hertogenbosch Op het terrein tussen De Kloostersgang en het Geertruikerkhof bevond zich aan de Orthenstraat het Geertruiklooster. Dit klooster werd in 1449 door dominicanessen gesticht. In 1466 vond de wijding plaats van de vergrote kerk en een uitgebreider kerkhof. Het genoot een grote bekendheid, niet alleen in 's-Hertogenbosch, maar ook ver daarbuiten. Na 1629 stierven de religieuzen uit en kreeg het kloostercomplex een andere bestemming. Het klooster zelf werd ingericht tot het Statenlogement, dat onderdak zou bieden aan leden van de Raad van State als zij 's-Hertogenbosch zouden bezoeken. Later werd het een militair hospitaal en een arsenaal. De kerk werd gebruikt voor de Nederduits hervormde gemeente. Dat gebeurde tot 1820, toen de protestantse kerk in de Kerkstraat in gebruik werd genomen. De kerk werd vervolgens als pakhuis gebruikt. In 1847 werd de kerk gesloopt.


Barbara en andere zusters van het Geertruyklooster door Henny Molhuysen Er zijn veel moderne voorgevels in de binnenstad, waar eens oude gebouwen gestaan hebben met een rijke geschiedenis. Vandaag aandacht voor wat zich eens bevond achter de voorgevel van Orthenstraat 37-47. Op het terrein tussen de De Kloostersgang en het Geertruikerkhof bevond zich aan Orthenstraat het Geertruyklooster. Eens stond hier buiten de Brusselse Poort een herberg waar passanten de nacht konden doorbrengen als de stadspoort gesloten was. Later is deze herberg verdwenen en kwam er een klooster voor in de plaats. Dit klooster werd in 1449 door dominicanessen gesticht. Een jaar tevoren had de bisschop van Luik hiertoe toestemming gegeven: vier koorzusters, twee werkzusters en een knecht mochten er zich vestigen. Een augustijn zou als geestelijk bestuurder fungeren. In 1453 was het convent reeds flink gegroeid en telde het dertig religieuzen, In 1466 vond de wijding plaats van de vergrote kerk en een uitgebreider kerkhof. Het genoot een grote bekendheid, niet alleen in 's-Hertogenbosch, maar ook ver daarbuiten. Bedevaart In 1509 ontstond er in het klooster een bijzondere verering voor een wonderbeeldje van de H. Maria. Velen trokken er ter bedevaart naar toe. In 1629, bij de val van de stad, 'dook het beeld onder' in de schuilkelder van de Sint-Pietersparochie en later kwam het tot 1971 in de Sint-Pieterskerk te staan. In 1509 was ongetwijfeld de bekendste kloosterlinge Barbara Disquis, een natuurlijke dochter van keizer Maximiliaan. Barbara heeft zelf een uitgebreide kroniek over het klooster geschreven en hierin beschreef zij ook de ontmoeting met haar vader en stiefbroer Philips. Koning Christiaan van Denemarken bezocht in 1521 het klooster om Barbara te ontmoeten en schonk het klooster toen een buidel goud. In 1568, op zeer hoge leeftijd overleed Barbara. Arsenaal Na 1629 stierven de religieuzen uit en kreeg het kloostercomplex een andere bestemming. Het klooster zelf werd ingericht tot het Statenlogement, dat onderdak zou bieden aan leden van de Raad van State als zij 's-Hertogenbosch zouden bezoeken. Later werd het een militair hospitaal en een arsenaal. Omstreeks 1800 kreeg het een andere bestemming. Het werd een koffiehuis waarvan verschillende verenigingen gebruik maakten. In 1842 werd L.H. Rouppe van der Voort de nieuwe eigenaar van de panden ter hoogte van de huisnummers 43-47. Hij sloopte het complex en op de vrijgekomen grond werd de eerste Bossche gasfabriek gesticht. Toen later de gemeente een eigen 'gazfabriek' stichtte, werd de particuliere onderneming gesloten en gesloopt. De familie Van Meerwijk bouwde er vervolgens drie riante woonhuizen. En wat gebeurde er met de kapel? Deze werd in de zeventiende eeuw - evenals de Sint-Jan - gebruikt als kerk voor de Nederduits hervormde gemeente. Dat gebeurde tot 1820, toen de protestantse kerk in de Kerkstraat in gebruik werd genomen. De kerk werd vervolgens als pakhuis gebruikt. De oudste thans nog aanwezige bebouwing dateert uit de negentiende eeuw (de panden nrs. 37-41), de overige bebouwing is nog geen twee decennia oud (nrs. 43-47). Van het oude interieur van het klooster is praktisch niets meer over. Het wonderbeeldje van Maria bevindt zich in de kelder van de Bouwloodsen van de Sint-Jan en de kroniek van Barbara Disquis in de abdij in Heeswijk. Enkele namen als De Kloostergang, Geertruikerkhof en Barbaraplaats herinneren ons aan deze periode uit de Bossche geschiedenis.

Jacob van Deventer


Klooster Mariënburg op de Uilenburg
Klooster Mariënburg op de Uilenburg

Klooster

Klooster Mariënburg op de Uilenburg


Jacob van Deventer


Klooster van de Zusters van Orthen
Klooster van de Zusters van Orthen

Klooster
  • Bouwjaar onbekend
  • Verdwenen       

Klooster van de Zusters van Orthen

Een ouder poortgebouw op deze plaats gaf eens toegang tot het klooster Ten Orten. Oorspronkelijk was het blijkens het testament uit 1423 van pastoor Thomas van Geffen bestemd voor vrouwen. Zij legden geen geloften af, maar leidden een gemeenzaam leven volgens de statuten van het kapittel van Windesheim. In 1444 besloot Joannes van Wezel, rector van het klooster, ook fraters op te gaan nemen. Zo ontstond het dubbelconvent Ten Orten. In 1435 hadden de zusters het recht gekregen een eigen kapel te stichten, toegewijd aan St.-Andreas en St.-Agnes. Hiervan gingen de fraters ook gebruik maken. In de andere gebouwen leefden de seksen natuurlijk gescheiden. Het aantal vrouwen in het klooster is altijd veel hoger geweest dan het aantal mannen. Zij probeerden veelal de kost te verdienen met het weven van linnen. Hiertegen kwam het gilde van de linnenwevers natuurlijk in opstand. Ook toen de zusters in 1471 probeerden hun weefgetouwen naar Vught te verplaatsen ontstond er hevig protest. Hertog Karel de Stoute greep in en verbood het verplaatsen van de weefgetouwen. In 1481 hadden de zusters wel heel hoog bezoek. Bij gelegenheid van het 14e kapittel van de ridderorde van het Gulden Vlies in de stad, logeerde er hertogin Maria van Bourgondië, samen met haar zoontje, de latere Philips de Schone. Toen in 1629 Frederik Hendrik de stad veroverde, moesten de mannelijke kloosterlingen de stad direct verlaten. Veel waren het er niet meer in het dubbel klooster: drie priesterfraters. De 104 zusters mochten blijven, maar aangezien er geen nieuwe zusters opgenomen mochten worden, was ook dit klooster tot uitsterven gedoemd. Het kloostercomplex raakte in verval. In het begin van deze eeuw stonden er nog drie delen: 'het Pand' (nog steeds aanwezig achterin de Louwse Poort), het materhuis en het poortgebouw. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het materhuis zowat gesloopt om aan brandhout te komen. De restanten werden na afloop van de oorlog ook opgeruimd. Er ontstonden restauratieplannen voor het poortgebouw, maar dit stortte eensklaps in. De restauratieplannen verdwenen toen van de tafel en de restanten werden afgebroken. Op dezelfde plaats werd een nieuw poortgebouw opgetrokken door medewerkers van de G.S.W. (Gemeentelijke Sociale Werkplaats), onder toezicht van Gemeentewerken. Het nieuwe poortgebouw werd veel lager dan het oorspronkelijke pand. En waar eens een poort met een ronde boog toegang verleende tot het complex erachter, verscheen een rechthoekige poort, die doorgang biedt naar een pleintje. In 1957 werd het pand als sociëteitsruimte verhuurd aan het HTS-corps. Deze studentenvereniging bestond reeds dertig jaar en had al die jaren van de ene naar de andere ruimte gezworven: meestal in horecagelegenheden. De soos moest uitgroeien tot een trefpunt van de HTS-er na schooltijd: „Hij kan er elke avond z'n neutje nemen als hij dat wil, en er tussen de middag overblijven. Vrijdagsavonds wordt er, voor zover de studie dat toelaat, door het bestuur 'iets georganiseerd' en 'een aparte sfeer geschapen'. Het kan een toepdrive zijn, maar evengoed een lezing door mr. Hilterman”. Er zijn sedertdien in het poortgebouw heel wat wilde feesten geweest, waarbij soms het ergste te vrezen was voor de vloer en waarbij overlast voor de buurtbewoners optrad. Sinds de HTS opgegaan is in de Hogeschool 's-Hertogenbosch biedt het poortgebouw onderdak aan de studentenvereniging Quos Ego van deze Hogeschool.

Jacob van Deventer


Kruisbroedersklooster
Kruisbroedersklooster

Klooster

Kruisbroedersklooster

In 1470 kreeg de invloedrijke burger Jan Monincx van Hertog Karel de Stoute toestemming een klooster te bouwen voor de Bossche Kruisheren, later genoemd de Kruisbroeders. Het klooster lag achter de St.Jorisstraat en de Vughterstraat, langs de Kuipertjeswal. Het was gewijd aan de Heilige Catharina van Alexandrïe. Ook dit klooster kwam vanaf 1629 leeg te staan. De kerk kwam in protestantse handen. Een plattegrond van het complex uit 1631 is mogelijk bedoeld geweest voor de verkoop van de gebouwen. In tegenstelling tot veel andere kloosters in de stad werden de gebouwen niet meteen gesloopt, zoals blijkt uit een opmeting uit 1749, toen een groot deel van de gebouwen dienst deed als militaire gevangenis. Nadat in 1789 er op de Citadel een nieuwe gevangenis was gebouwd, werden de laatste kloostergebouwen in 1801 verkocht en enige tijd later gesloopt. De kerk werd van 1842 tot 1844 ingrijpend verbouwd en nogmaals van 1916 tot 1918, waarbij hij zijn huidige uiterlijk verkreeg.

Jacob van Deventer


Minderbroederklooster
Minderbroederklooster

Klooster

Minderbroederklooster

De geheel verdwenen noordelijke wand van de Minderbroedersstraat. De foto is omstreeks 1935 genomen. Deze straat werd al in 1365 aangelegd; zij liep anders dan tegenwoordig, had twee rechthoekige bochten en het was maar een smal straatje. Vóór 1480 heette dat al 'het Spoerstraetken'. Het deurtje tussen de huizen genummerd 6 en 8 verbergt nog altijd een steegje dat vroeger deel uit maakte van dat oude Spoerstraatje. In 1611 werd de naam veranderd, het werd Dravelgas, men sprak ook van Dravelstraat. Omstreeks 1228 vestigden zich de Minderbroeders, op een stuk grond dat zij van de hertog gekregen hadden, langs deze straat. Later, toen de oorspronkelijke houten gebouwtjes van de broeders plaats hadden moeten maken voor een groot klooster met kapel van steen, is men van Minderbroedersstraat gaan spreken. Aan de Marktzijde werd de straat afgesloten door een hek dat de 'Minderbroedersstappe' genoemd werd, later zou het een stenen poort worden. De Minderbroeders, die zeer gezien waren, hadden tal van onheilen meegemaakt, zoals de brand van 1463, de nogal eens voorkomende pestziekte die ook onder de broeders veel slachtoffers maakte, de beeldenstorm, meerdere belegeringen waarbij zij er ook niet zonder kleerscheuren afkwamen en tenslotte de val van Den Bosch in 1629 waardoor zij hun klooster moesten verlaten. Mèt de kerk werd nadien ook het klooster gesloopt. Vermelden wij nog dat de beroemde schilder Theodorus van Tulden in 1607 in een huis tegenover de Minderbroederskerk geboren werd.

Jacob van Deventer


Predikherenklooster
Predikherenklooster

Klooster
  • Bouwjaar ± 1228
  • Verdwenen       

Predikherenklooster

In het eerste kwart van de 13de eeuw ontstonden er vrijwel gelijktijdig in Italië en Zuid-Frankrijk twee belangrijke nieuwe kloosterorden: de Franciscanen of Minderbroeders en de Dominicanen of Predikheren. De Minderbroeders kwamen al in 1228 in 's-Hertogenbosch en konden zich nog binnen de oudste stadsmuur vestigen. Bij de komst van de Predikheren in 1296 bleek dit niet meer mogelijk en zij kochten een huis aan de noordkant van de Hinthamerstraat. Niet lang daarna konden ze grond verwerven ten noorden van de Binnendieze en hier bouwden ze hun klooster. Het groeide in de loop van de tijd uit tot een groot complex, dat aan de oostzijde grensde aan het terrein van het Geefhuis en in het westen aan het terrein van het Grootziekengasthuis. De bijbehorende beemd strekte zich aan de noordzijde uit tot aan de tweede stadsmuur. Na de verovering van de stad door Frederik Hendrik in 1629 werden de mannenkloosters gesloten en moesten de kloosterlingen vertrekken. De gebouwen van het Predikherenklooster werden in 1641 verkocht en vervolgens afgebroken, waarna de Eerste Nieuwstraat (de huidige Nieuwstraat) en de Tweede Nieuwstraat (de huidige St.Josephstraat) over het terrein werden aangelegd.

Jacob van Deventer


Bronnen

Wilhelmieten Klooster
Wilhelmieten Klooster

Klooster
  • Bouwjaar onbekend
  • Zichtbaar       
  • Ook bekend als  Baselaars Klooster

Wilhelmieten Klooster

De Baselaarsstraat verbindt de Windmolenbergstraat met de Bethaniestraat. De straatnaam herinnert aan het Baselaarsklooster, dat eeuwenlang aan het Sint-Jacobskerkhof heeft gelegen. Rond 1200 vestigden enkele heremieten (kluizenaars) uit Heesch zich op een zanddonk. Deze hoogte was buiten de stadsmuren gelegen, langs de weg naar Den Dungen, tussen de huidige Sluizen 0 en 1 van de Zuid-Willemsvaart. De officiële naam van dit mannenconvent luidde Porta Coeli (Hemelse Poort). Meestal sprak men echter van Baseldonk of Baselaarsklooster, naar de naam van de stichter Winaldus van Basel. In 1244 of 1245 sloot deze vestiging zich aan bij de orde van de wilhelmieten, zo genoemd naar hun patroon Wilhelmus van Malavalle (overleden 1157). Hoewel begonnen als kluizenaarsgemeenschap met een strenge levenswijze, bereikten de wilhelmieten een redelijk grote welstand. Aan deze woongemeenschap kwam in 1545 een einde, toen de autoriteiten het bevel gaven alle kloostergebouwen tot de grond toe af te breken. Zij wilden voorkomen dat de in Brabant rondtrekkende Gelderse benden van Maarten van Rossum de gebouwen als verschansing en steunpunt zouden kunnen gebruiken. Nu vestigden de 'baselaars' zich onder de energieke leiding van prior Simon Pelgrom binnen de stadswallen op een gedeeltelijk onbebouwd terrein aan het Sint-Jacobskerkhof. De kloosterkerk werd in 1549 gewijd. Ook hier stond het bekend als een klein, maar rijk convent. Pelgrom maakte naam als geschiedschrijver over de oorsprong van 's-Hertogenbosch. Het klooster werd tijdens de beeldenstorm in 1566 twee keer geplunderd. In 1629 moesten ook de baselaars de stad verlaten, de wilhelmietenorde als geheel hield in de negentiende eeuw op te bestaan. Een kaart uit 1630 geeft de kloostergebouwen, het pandhof en de éénbeukige kerk ket driezijdi gesloten koor weer. Naast het pandhof bevond zich een grote binnenplaats, omgeving door bebouwing. Bij graafwerkzaamheden in 1981 zijn de zware fundamenten van de kerk zonder onderzoek en documentatie gesloopt.


Dit klooster stond aanvankelijk niet aan het St. Jacobskerkhof, maar tusschen den Kleinen Hekel en sluis n° 1 der Zuid- Willemsvaart; alzoo niet, zooals van Heurn Historie I p. 445 en 500 beweert, buiten de voormalige St. Janspoort op de weide de Donk. Een straatje, thans geheeten de St. Anthonistraat doch toen ter tijde het Baseldonksche straatje genaamd, leidde er van de Hinthamerstraat heen. De eigenlijke naam van dit klooster was Porta Coeli, maar omdat het door Wynand van Basel op het goed of erf de Donk gesticht was, heette het doorgaans het klooster Baseldonk of Bazelaarsklooster. De monniken, die er in woonden, behoorden tot de orde der Guilhelmieten. In 1525 werd dit klooster door de Bosschenaars geplunderd.

Jacob van Deventer


Bronnen
https://www.bossche-encyclopedie.nl/Straten/Baselaarsstraat.htm
>a href="https://www.bossche-encyclopedie.nl/overig/kloosters/wilhelmieten.htm">https://www.bossche-encyclopedie.nl/overig/kloosters/wilhelmieten.htm
Groote Hekel
Groote Hekel

Stadspoort

Groote Hekel

Wikipedia: [...]de Grote Hekel gebouwd, een waterpoort die haar naam ontleent aan de drijvende balken met ijzeren punten (die leken op hekels) die de waterpoorten blokkeerden. In 1399 werd de waterpoort Groote Hekel voor het eerst genoemd. Deze waterpoort had oorspronkelijk drie poorten en werd daarom ook wel 'De Drie Hekelen' genoemd. Via de waterpoort konden schepen vanaf de Dommel de stad binnenvaren en kon water vanuit het Bossche Broek worden binnengelaten. Tussen 1634 en 1668 werd de westelijke poort dichtgemetseld, waarschijnlijk om de inundatie van het militair belangrijke Bossche Broek beter in stand te kunnen houden. De waterpoorten konden alleen worden gesloten tegen vijandelijke aanvallen. Het water vanuit de Dommel zelf kon niet worden geblokkeerd.[2] In 1880 werd aan buitenzijde van de twee overgebleven waterpoorten van de Groote Hekel een dubbele sluis gebouwd. De middeleeuwse poorten kunnen hierdoor alleen worden teruggezien aan binnenzijde van de stadsmuren. Direct ten oosten van deze restanten zijn nog een set van twee grote poorten en een kleinere poort zichtbaar, die restanten vormen van een stoomgemaal dat vanaf 1880 in bedrijf was en in 1965 werd gesloopt.

Jacob van Deventer

Hinthamer Binnenpoort
Hinthamer Binnenpoort

Stadspoort
  • Bouwjaar onbekend
  • Verdwenen       

Hinthamer Binnenpoort


JAcob van Deventer

Hinthamerpoort
Hinthamerpoort

Stadspoort

Hinthamerpoort


Jacob van Deventer

Sint Janspoort
Sint Janspoort

Stadspoort
  • Bouwjaar ± 1528
  • Afgebroken 1595
  • Lokatie       
  • Verdwenen       

Sint Janspoort

Deze doorgang bevond zich aan de westzijde van de stad in de route van de St Jansstraat (of Koestraat) naar Vlijmen en verder. De St. Janspoort lag voor de Koepoort en verving deze op den duur. De bou wvan de St,. Janspoort vond plaats in de jaren vanaf 1528. Na een gedeeltelijke sloop in 1593, volgende in 1595 de volledige afbraak, waarna in 1597 een nieuwe doorgang werd gerealiseerd. Na een renovatie in 1639 volgde in 1884 de sloop van het bouwwerk.

De bouw van de St. Janspoort vanaf 1528 hangt samen met de aanleg van een bolwerk voor de middeleeuwse Koepoort en met de aanleg van een nieuwe weg (dijk) naar Vlijmen: de Langstraat. De poort was opgenomen in de punt van dit bolwerk en vormde een tijdlang een tweede poortdoorgang. Het bouwwerk kreeg een opvallend uiterlijk, want het was een hoge toren op vierkante grondslag, bekroond met een zadeldak tussen twee trapgevels. De werkzaamheden vlotten kennelijk niet snel, want nog in 1532 werden door de schepenen van 's-Hertogenbosch metselaar Peter van Nymegen en steenhouwer Jan van der Laar naar Utrecht gezonden, omdaar van de dwangtburcht Vredenburg kennis te nemen: "om sommige wercken ende stucken, diemen alhier aan 'tbolwerk aan de Coepoirt te maken heeft, hen nae dien werck te regulieren'. Aan de veldzijde was de poort verfraaid met een beeld van St. Jan, drie leeuwen en twee werpers met het keizerlijke en stedelijke wapen. De schietgaten, bedoeld om met haakbussen mogelijk aanvallen te weerstaan, waren uitgevoerd in hardsteen. Tussen de Koepoort en de St Janspoort werd de weg met keien verhard. Om de stad tegen wateroverlast te beshermen, kon de poort met schotbalken worden afgesloten.

Jacob van Deventer

Leuvense Poort
Leuvense Poort

Stadspoort
  • Bouwjaar onbekend
  • Zichtbaar       

Leuvense Poort

De stadspoort uit begin 13e eeuw van de eerste ommuring, ook wel aangeduid als Lovense Poort of Gevangenpoort. Een deel van de noordelijke stadspoorttoren bevindt zich nog in de panden voor de hoek met de Korte Waterstraat. In het dak en de hoeketalage is die duidelijk te herkennen. In de bestrating (links en rechts) is in de zwarte beklinkering de oude torenvorm nog te zien. Na de eerste stadsuitbreiding werd de Leuvense Poort een binnenpoort en bestemd tot gevangenis. De poort werd op bevel van Napoleon omstreeks 1810 afgebroken omdat hij er met zijn leger niet vlot doorheen kon.

Jacob van Deventer


Orthen Binnenpoort
Orthen Binnenpoort

Stadspoort
  • Bouwjaar onbekend
  • Verdwenen       

Orthen Binnenpoort

Orthenbinnenpoort Orthenstraat, ter hoogte van het Bokhovenstraatje, 's-Hertogenbosch De stadspoort uit begin 13e eeuw van de eerste ommuring, ook wel aangeduid als Orthenpoort. Nadat Hertog Hendrik van Brabant de stad in 1185 stadsrechten had verleend werd er een vestingmuur met drie stadspoorten om de kleine nederzetting gebouwd, die omstreeks 1220 gereed was. De stadspoorten kregen de namen van de voornaamste steden van het Hertogdom, Brussel, Leuven en Antwerpen. De contouren van de Brusselse poort zijn met zwarte steen aangegeven in het plaveisel. Voor deze poort lag een stadsgracht die in verbinding stond met de Dieze. Na de eerste stadsuitbreiding kreeg het de naam van 'Orthenbinnenpoort'. Een deel van de poort werd gesloopt en het gebouw kreeg als functie: bewaarplaats van buskruit. Rond 1810 is de Orthenbinnenpoort gesloopt wegens bouwvalligheid.

Jacob van Deventer


Vughter Binnenpoort
Vughter Binnenpoort

Stadspoort
  • Bouwjaar onbekend
  • Verdwenen       
  • Ook bekend als   Heilige Kruispoort

Vughter Binnenpoort


Jacob van Deventer

Vughterpoort
Vughterpoort

Stadspoort
  • Bouwjaar onbekend
  • Verdwenen       
  • Ook bekend als   Pickepoort

Vughterpoort


Jacob van Deventer

Baselaars Bolwerk
Baselaars Bolwerk

Vestingwerk
  • Bouwjaar onbekend
  • Verdwenen       

Baselaars Bolwerk

Bolwerk bij den Boom
Bolwerk bij den Boom

Vestingwerk
  • Bouwjaar onbekend
  • Verdwenen       

Bolwerk bij den Boom

Bolwerk Oranje
Bolwerk Oranje

Vestingwerk
  • Bouwjaar onbekend
  • Zichtbaar       

Bolwerk Oranje

Het Kasteel
Het Kasteel

Vestingwerk
  • Bouwjaar onbekend
  • Zichtbaar       

Het Kasteel


Atlas de Wit

Kruittoren
Kruittoren

Vestingwerk
  • Bouwjaar onbekend
  • Zichtbaar       

Kruittoren


Atlas de Wit

Marye Bolwerk
Marye Bolwerk

Vestingwerk
  • Bouwjaar onbekend
  • Verdwenen       

Marye Bolwerk