Clarissenklooster
De eerste Clarissen kwamen een eeuw na de Minderbroeders Franciscanen naar Nederland. ‘Ridder’ Willem van den Bosch, één van de meest gefortuneerde inwoners van Den Bosch, besloot dat na zijn dood een clarissenklooster gevestigd moest worden in één van zijn twee stenen huizen te Den Bosch. De zusters arriveerden er in 1349 vanuit Keulen. De formele kerkrechtelijke instelling is echter in 1359 gedateerd. De zusters maakten er o.a. de Beeldenstorm mee in 1566, maar konden in hun klooster blijven en nog bijna een eeuw standhouden.
(https://www.clarissen.nl/geschiedenis-na-1350/)
Het Clarissenklooster
Naast het Vondelinghuis stond voorheen in de Clarastraat een huis, dat 28 December 1656 door den Raad van State - het was alzoo blijkbaar geestelijk goed - verkocht werd aan Willem van Houte, raad van den Bosch, die 5 Maart 1670 stierf; van dezen erfde het Magdalena Besemer, weduwe van Jacobus Cuchlinus, predikant en professor in de Grieksche taal aan de Illustre school te 's Hertogenbosch; zij verkocht het 28 Augustus 1706 (Reg. n°. 485 f. 108) aan Wilhelmus van Heeswijk, koopman aldaar, als wanneer het omschreven werd als: een groot huis met erf en tuin , daaronder begrepen de kamer boven de groote keuken, die voorheen een stal was, staande in de Clarastraat tusschen het Vondelinghuis ex uno en een ander huis van verkoopster 1) ex alio en uitkomende met eene poort op het St. Janskerkhof; van dit huis bestaat thans niets meer.
Tegenover hetzelve bevond zich het achtergedeelte van het voormalig Clarissenklooster van den Bosch; een plattegrond bestaat daarvan, voor zoover mij althans bekend is, niet, zoodat niet meer valt mede te deelen hoe de inrichting daarvan was. Dit is echter zeker, dat het hoofdgebouw daarvan
587
stond in de Hinthamerstraat ter plaatse, waar thans staat het huis genummerd 141, nu het eigendom van mr. P.H. Loeff, president der Arrondissements-Rechtbank te den Bosch; dat hoofdgebouw was, in elk geval bevond zich ter plaatse waar eens stond het kasteel, dat het eigendom was van Geerling van den Bosch, ridder. Tot welk geslacht deze behoorde is tot dusverre nog niet uitgemaakt geworden. In een charter van Driekoningendag 1303 2), waarbij de Hertog van Brabant vrijstelling van verschillende diensten verleende aan al zijne laten, die zich onledig hielden met het in cultuur brengen van zijne gronden, gelegen onder Erp, Vechel, Hetsrode, Oirschot, Hilvarenbeek, Gestel, Oost-Tilburg, Haaren, Berkel, Udenhout, Osse, Berlicum en Middelrode, staat vermeld, dat hij was een nepos van zaliger Heer Willem, heer van Hoerne en Altena. Vermits nepos zoowel kleinzoon als oomzegger beteekent, zoo brengt ons deze vermelding zijner bloedverwantschap niet veel verder. Mogelijk is het, dat hij behoorde tot het geslacht van Erp, omdat zijn na te noemen broeder Willem heer van Erp was en er in het begin der 13e eeuw van Erp's schepenen van den Bosch waren, wier voornamen Geerling was 3). Volgens eene oude Bossche kronijk, gedrukt in het werk van Dr. C.R. Hermans Kronijken p. 46, zou hij echter tot het geslacht van Hornes behoord hebben, daar toch daarin over hem en zijnen broeder het volgende voorkomt: Dat clooster van Sinte Clara binnen der stat van den Bosch is te voren geweest een borchte ofte een casteel, toebehoorende een rycke en treffelick joncker, genamt joncker Geerlinck van den Bosch, wiens gehoechnis noch onderhout die steenen brug, die over die Diese leet en is geheiten die Geerlinxse brug 4) en dese joncker Geerlinck is gestorven
588
sonder wettige geboort after te laten ende soo quam dat slot op synen brueder Joncker Jan van Hoorn, die op die tijt woonde in die huysinge, daer nu die verwer woont, tegen die Schilderspoorte over ende dese joncker Jan van Huerne heeft van dat slot ende huysinge gemaect een jouffrau clooster van Clarissen, assigneerende groote renten ende gueden om dat clooster te onderhouden.
Dit verhaal zou, in verband met hetgeen in voormeld charter omtrent de bloedverwantschap van Geerling van den Bosch met Willem, heer van Hoerne en Altena voorkomt, het vrij zeker doen zijn, dat jonker Geerling tot het geslacht van Hornes behoorde, ware het niet, dat de Kronijk abusievelijk vermeldt, dat zijn broeder Jan heette, daar toch uit het testament, waarbij die broeder het Clarissenklooster in den Bosch stichtte, duidelijk blijkt, dat diens voornaam niet was Jan, maar Willem.
Dit is in ieder geval zeker, dat Geerling van den Bosch, zoo hij al niet, zooals ik geloof, behoorde tot, dan toch verwant was aan het geslacht van Hornes.
Dirk van Hornes, heer van Cranendonk, als uitvoerder van den uitersten wil van genoemden Willem van den Bosch richtte het kasteel van Geerling van den Bosch in tot een Clarissenklooster 5) en bouwde voor hetzelve in 1344 eene kapel, wier ingang in de Clarastraat was; de Clarissen betrokken daarop dat klooster in het jaar 1359, hetgeen als volgt in meergezegde Kronijk p. 46 verhaald wordt: Int jaer ons Heeren 1359 op sinte Matheus dach is dat convent van den Clarissen eerst begonnen ende is geworden een scerpe besloten clooster ende die eerste Clarissen van dit convent waren gecomen uut dat Clarisseclooster tot Brussel 6)
Dit klooster was rijk aan goederen; zoo bezat het in den Bosch bijna het geheele erf, dat vanaf de Hinthamerstraat tot aan het huis der Bonenfanten op de Papenhulst zich uit-
589
strekte en dat voorts begrensd was eenerzijds door twee huizen, staande aan den hoek van de Clarastraat en anderzijds door de Dieze. Zij bezaten aldaar ook het vischwater, zoo als blijkt uit den volgenden post, staande in de Rekening van den Rentmeester der Domeinen van Brabant van 7 Mei 1404-7 Mei 1405 (Rijksarchief te Brussel Rekenkamer Reg. no. 5233): „Van den cloosterreligieusen, abdisse ende convent van Sinte Claren in tshertogenbosch, die jairlix plagen te geldene te vastelavont 27 oude grooten voor XI getalle paeldinge van der vischerien te s hertogenbosch uit watre, gaende van der voerde totter Hijnthemerstraten, dwelcke in tiden voorleden uutgegeven was om die voirscr. XI getalle paeldinge enen Gerlic Knode ende dairna hoirden toe Here Willem van den Bosch, die se mit dien last overgaf met anderen goeden den voersc. cloester, denwelcken mijn Vrouwe van Brabant quite gesconcen heeft erflic met sulker condicie, dat zy tewigen doen zullen des graven Willems van Henegouwen ende van Hollant hairs mans, jaergetiden alle jair ende oec van haren manne Hertoge Wencelijns ende van hair, al si verschiden werden, ende dat alsoe lange als mijn voirscr. Vrouwe leven sal, dat si sullen doen singen of lesen bi den godtshuse voirscr, daghelijx een misse etc."
Door eene poort had dit klooster eenen uitgang in de Clarastraat; binnen die poort stond, zooals in 1608 vermeld werd, een rosmolen, die door hetzelve verhuurd werd en daarnaast binnen diezelfde poort tusschen de erven van het klooster een huis, dat het 26 Augustus 1609 voor zijne vrijheid aankocht 7), terwijl ten Z. daarvan stond, zooals in 1603 vermeld werd, de woning van deszelfs rentmeester, zijnde toen Henrick Franszn van Gestel 8), die zich destijds noemde rentmeester des Convents ende Goidthuys van Sancta Clara binnen 'sBosch; naast dit laatste huis stond ook in Zuidelijke richting,
590
een huis, dat eveneens aan dit klooster toebehoorde en dat in 1608 bewoond werd door Christina van Erp, de moeder van genoemden rentmeester 9). Verder op langs de Papenhulst, lag een deel van den tuin van dit klooster, dat beschreven is in Dl II blz. 523 en vlgd.
Toen den Bosch zich in 1629 aan Prins Frederik Hendrik had moeten overgeven werd ook dit klooster, evenals al de andere, die men destijds in die stad had, ten behoeve van den Staat verbeurd verklaard, waarna het bij Resolutie van den Raad van State van 1 Mei 1659 met de vlak daarbij gelegen en daartoe behoorende onroerende goederen verkocht werd aan Cornelis Cuchlinus, ontvanger der gemeene middelen te den Bosch, die eveneens een ontrouwe beheerder van 's lands geldmidden blijkt geweest te zijn, want ook hij had bij zijn overlijden een groot tekort in kas. Na zijnen dood werd dit klooster met voorschreven onroerend goed door den Rentmeester der geestelijke goederen Johan baron van Leefdael 5 December 1692 (Reg n°. 507 f. 314) getransporteerd op zijne beneficiaire erfgenamen Johannes Crollius, predikant te Muiden en mr. Cornelis Cuchlinus, den zoon van Jacobus en Magdalena Besemer voornoemd (Reg. n°. 507 f. 314); zij verkochten daarvan het hoofdgebouw, dat aan de Hinthamerstraat stond, ter plaatse waar nu zich bevindt het voorschreven huis van mr. P.H. Loeff, 5 Juni 1693 (Reg. n°. 508 f. 95) aan Thomas Minten, wijnkooper te den Bosch. Het werd alstoen omschreven als volgt: „huyssinge, erve, met een poortte, stallinge, camer daerneffens, hoff ende bogaert daeraengelegen in de Hinthamerstraet neffens de Geerlinxe brugge, streckende van de straet tot aen de scheytsmuer van de huyssinge ende erve van Quirinus Croll, soo ende gelijck die tegenwoordich in gebruyck is bij den Heere Grave van Niel.” Uit deze omschrijving kan men opmaken, dat het klooster toen reeds in een woonhuis veranderd en al wat aan zijne vroegere bestemming herinnerde, zooals
591
de kapel, toen al weggebroken was. Zeker is het, dat het ten tijde van mr. Joh. Hendrik van Heurn al reeds sedert lang als kloostergebouw niet meer bestond, want hij deelt daarover in zijne Beschrijving het volgende mede: „Het Klarissenklooster had voorheen deszelfs ingang in de Hinthamerstraat door eene groote poort, niet ver van de Geerlingsche brug; het strekte zich uit langs de Klaarenstraat, die er ontwijfelbaar den naam naar draagt, tot ver op den Papenhuls, zo als de oude muuren dit duidelijk aantoonen. Volgens zekere oude teekening der stad. die ik bezitte en mij toeschijnd omtrent het jaar 1560 gemaakt te zijn, heeft de kerk des kloosters in de Klaarestraat, niet ver van de Koorstraat, gestaan. Van het klooster is genoegsaam niets overgebleeven; ik heb van den tijd van deszelfs slooping niets ontdekt. In de Klaarestraat staat nog eene oude dog sterke huysinge, waarin de rentmeester des kloosters voorheen woonde. Het verdere erf van het klooster is in een moestuin veranderd, die door een oude muur omringt word. Bij de poort des kloosters in de Hinthamerstraat staat een sierlijk en groot huis en in de Klaarestraat een tuinmanswoning, die nevens de moestuin door de eigenaars verhuurd word".
Genoemde Minten behoorde blijkens het wapen, dat hij voerde, tot een geslacht, dat volgens L. de Herckenrode Collection de tombes etc. de la Hesbaye te St. Truyden gevestigd was en aldaar de Menten heette. Thomas Minten voornoemd was de zoon van Thomas Minten (ook wel Menten geheeten), gestorven te den Bosch 2 Juni 1680 en Johanna van Campen (dochter van Guiliam, heer van Bijsterveld, en Geertruy Vermeulen), wier eerste man was Johan van Hedel.
(https://www.bossche-encyclopedie.nl/overig/kloosters/clarissen.htm)
Thans is het Claraklooster omgebouwd tot appartementen.